Verkorting looptijd 30%-regeling niet onrechtmatig

De Hoge Raad heeft op 13 februari 2026 geoordeeld dat de verkorting van de maximale looptijd van de 30%-regeling voor ingekomen werknemers niet in strijd is met algemene rechtsbeginselen of internationale verdragen. Ook werknemers die eerder een beschikking voor een langere periode hadden gekregen, kunnen geen beroep doen op de oorspronkelijke looptijd.

Achtergrond: verkorting 30%-regeling
De 30%-regeling biedt werkgevers de mogelijkheid om maximaal 30% van het loon van ingekomen werknemers belastingvrij te vergoeden ter dekking van zogenoemde extraterritoriale kosten. Dit zijn extra kosten die een ingekomen werknemer maakt doordat hij (tijdelijk) in Nederland werkt.

Tot 2019 gold een maximale looptijd van acht jaar (en eerder zelfs tien jaar). Met ingang van 1 januari 2019 heeft de wetgever de maximale looptijd verkort naar vijf jaar. Voor werknemers die vanaf dat moment met de regeling starten, geldt deze maximale duur van vijf jaar. Voor werknemers die de regeling al vóór 2019 toepasten, is overgangsrecht ingevoerd. In bepaalde gevallen eindigde de toepassing daardoor al op 31 december 2020, ook al liep de oorspronkelijke beschikking nog langer door.

In de voorliggende zaak had een werknemer een beschikking voor toepassing van de 30%-regeling tot 30 november 2021. Door de wetswijziging en het overgangsrecht eindigde de toepassing echter al op 31 december 2020. De werknemer stelde dat de verkorting in strijd was met onder meer het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids-, het evenredigheids- en het gelijkheidsbeginsel.

Het hof oordeelde dat de verkorting van de looptijd voortvloeit uit een wet in formele zin. De wetgever beschikt bij het vaststellen van fiscale regelgeving over een ruime beoordelingsvrijheid. Volgens het hof was het beperkte overgangsrecht daarom niet onrechtmatig.

Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel van het hof. Zelfs als het recht op toepassing van de 30%-regeling zou worden gezien als een vorm van eigendom in de zin van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, mag de wetgever de regeling wijzigen.

Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever bij fiscale wetgeving een ruime beleidsvrijheid. De beslissing om de maximale looptijd van de 30%-regeling te verkorten naar vijf jaar valt binnen die ruimte.

De Hoge Raad oordeelt bovendien dat de wetgever voldoende redenen had om de regeling aan te passen, bijvoorbeeld vanuit budgettaire overwegingen en het doel van de regeling. Daarom kan niet worden gezegd dat de wetswijziging onredelijk of willekeurig is.

Ook is volgens de Hoge Raad geen sprake van verboden discriminatie of strijd met andere internationale verdragsbepalingen.

Gevolgen voor de praktijk
Met dit arrest bevestigt de Hoge Raad dat de verkorting van de looptijd van de 30%-regeling naar vijf jaar rechtsgeldig is, ook voor werknemers die eerder een beschikking met een langere looptijd hadden ontvangen.

Voor de praktijk betekent dit dat belastingplichtigen zich niet met succes kunnen beroepen op hun oorspronkelijke beschikking om alsnog een langere toepassing van de 30%-regeling af te dwingen.

Wilt u meer achtergrond over de 30%-regeling en recente ontwikkelingen? In het vakblad Beloning & Belasting is eerder een artikel verschenen van onze collega Nadine Reer, waarin uitgebreider wordt ingegaan op de werking van de regeling en de wijzigingen in de afgelopen jaren.

Heeft u vragen naar aanleiding van dit nieuws?  Neem dan contact met ons op via uw relatiebeheerder, telefonisch via 040 – 2 504 504 of via onderstaand contactformulier.

Deel dit bericht

Tips, advies en nieuws van de beste uit het vak

Vrijblijvend advies

Tips, advies en nieuws van de beste uit het vak