Bij voorstellingen bij theaters, concertzalen, schouwburgen en (pop)podia is het gebruikelijk dat bij het kaartje voor de voorstelling ook een drankje is inbegrepen. Maar hoe zit het btw‑technisch met zo’n combinatie van toegang tot de voorstelling en het drankje? Mag voor het inbegrepen drankje ook het verlaagde btw‑tarief van 9% worden toegepast? Recent heeft de Hoge Raad een belangrijke uitspraak gedaan over de vraag of voor deze drankjes het verlaagde btw-tarief mag worden toegepast.
Feiten
In de voorgenoemde zaak staat de volgende situatie centraal. Tegen betaling van één bedrag krijgt de bezoeker van een theater toegang tot de voorstelling, mag hij gebruik maken van de garderobe en krijgt hij een drankje tijdens de pauze. De bezoeker kan hierbij kiezen uit een alcoholisch of non-alcoholisch drankje.
Deze drankjes worden tijdens pauze klaargezet. Het is niet mogelijk om een kaartje te kopen zonder pauzedrankje. Het theater past op de volledige ticketprijs het verlaagde btw-tarief (9%) toe.
Hoofd en bijkomende prestaties
De prestatie van het theater bestaat uit meerdere elementen: toegang tot de theatervoorstelling, gebruik van de garderobe en het pauzedrankje. In beginsel moet elk element afzonderlijk worden beoordeeld voor de btw. Hier zijn twee uitzonderingen op:
– De ondeelbare economische prestatie
– De hoofd- en bijkomende prestatie
In deze zaak draait het om de tweede uitzondering. Een prestatie is bijkomstig wanneer zij voor de zogenoemde modale consument – de gemiddelde afnemer – geen zelfstandig doel dient en slechts een middel vormt om optimaal gebruik te maken van de hoofdprestatie.
Is er sprake van een bijkomende prestatie, dan volgt deze de btw‑behandeling van de hoofdprestatie. Als het pauzedrankje als bijkomend zou kwalificeren, zou ook het verstrekken van alcoholhoudende drankjes onder het verlaagde btw‑tarief vallen (terwijl het verstrekken van alcoholhoudende drankjes onder het 21%-tarief valt, als het als een zelfstandige prestatie kwalificeert).
Oordeel Hof ‘s-Hertogenbosch
Volgens het Hof kwalificeert het pauzedrankje als een bijkomende prestatie. Het pauzedrankje maakt de theatervoorstelling voor de bezoeker aantrekkelijker. De bezoeker hoeft namelijk niet meer in de rij te staan bij de bar, omdat het drinken al klaarstaat. Daarnaast hoeft de bezoeker geen extra bedrag te betalen voor het drinken.
Oordeel Hoge Raad
In tegenstelling tot het Hof concludeert de Hoge Raad dat het theaterbezoek en het pauzedrankje kwalificeren als zelfstandige prestaties voor de btw. Het pauzedrankje is geen manier om optimaal te genieten van de voorstelling, omdat het pauzedrankje niet tijdens de voorstelling wordt verstrekt.
Hoewel er een verband bestaat tussen de prestaties vanwege de gezamenlijke prijs, is dit verband onvoldoende sterk. Voor de modale consument heeft het pauzedrankje een afzonderlijk belang; hij is immers niet verplicht om iets te drinken. Alcoholhoudende pauzedrankjes vallen daarom onder het algemene btw‑tarief van 21%.
Gevolgen voor de praktijk
De uitspraak van de Hoge Raad heeft belangrijke gevolgen voor ondernemers in de culturele sector die kaartjes verkopen, waarbij naast de voorstelling ook eventueel eten en/of drinken is inbegrepen. Ook voor andere ondernemers die arrangementen aanbieden waarin verschillende prestaties zijn inbegrepen, is deze uitspraak van belang.
Door deze uitspraak is het raadzaam opnieuw te beoordelen of de btw-behandeling van deze combinatie van prestaties nog juist is. Hoewel in de besproken situatie sprake is van zelfstandige prestaties voor de btw, is dit niet altijd het geval. Er moet worden onderzocht of er aanwijzingen zijn om aan te nemen dat sprake is van een bijkomstige prestatie. Volgens de uitspraak van de Hoge Raad kan onder meer relevant zijn of het drankje al dan niet wordt genuttigd tijdens de activiteit.
Als wordt geconcludeerd dat de verschillende onderdelen afzonderlijke prestaties vormen, moet worden bepaald welk deel van de totaalprijs aan het reguliere btw‑tarief (21%) moet worden toegerekend. Afstemming met de Belastingdienst kan daarbij wenselijk zijn.
Verlaagd btw-tarief cultuur en ontspanning blijft
Het vorige kabinet wilde het verlaagde btw-tarief voor cultuur, media en sport afschaffen. Uiteindelijk zijn deze plannen niet doorgegaan. Voor culturele diensten – zoals het verlenen van toegang tot theaters, musea en bioscopen – geldt dus nog steeds het verlaagde btw-tarief.
Hoewel de uitspraak van de HR nu nadelig uitpakt, kan deze uitkomst juist gunstig zijn als in de toekomst het btw-tarief alsnog wordt verhoogd. Niet-alcoholische drankjes worden dan niet meegetrokken in het hogere tarief van de hoofdprestatie.
Meer weten?
Wilt u meer weten over de gevolgen van deze uitspraak voor uw onderneming? Neemt u dan gerust contact met ons op via uw relatiebeheerder, per mail via btw@govers.nl, of telefonisch via 040 – 2 504 504. Uiteraard kunt u ook met al uw andere fiscale vragen bij ons terecht.