Op 15 september 2026 heeft het kabinet de Tweede Kamer geïnformeerd over de toekomst van box 3. Opvallend is dat er nog géén (definitieve) keuze is gemaakt voor een nieuw stelsel. Wel schetst het kabinet verschillende routes naar een belastingheffing op basis van werkelijk rendement en geeft het inzicht in de aanzienlijke budgettaire gevolgen en mogelijke dekkingsmaatregelen.
De discussie over box 3
Sinds de arresten van de Hoge Raad in 2021 en 2024 staat het huidige forfaitaire box 3-stelsel onder druk. Belastingplichtigen kunnen inmiddels aantonen dat hun werkelijke rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Volgens het kabinet is het voortzetten van de tegenbewijsregeling ongewenst, aangezien hoge rendementen soms gedeeltelijk onbelast blijven. Daarnaast bestaat er kritiek vanuit belastingplichtigen vanwege het ontbreken van kostenaftrek en verliesverrekening, waardoor zij ofwel geen gebruik kunnen maken van de tegenbewijsregeling, ofwel een verlies niet kunnen benutten in andere jaren.
Het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 (WWR), dat reeds door de Tweede Kamer was goedgekeurd, maar nog niet door de Eerste Kamer, moet vanaf 2028 belastingheffing op werkelijk rendement bewerkstelligen. De WWR hanteert daarbij in beginsel een vermogensaanwasbelasting: ook ongerealiseerde waardemutaties worden jaarlijks als werkelijk rendement beschouwd. Voor (onder andere) onroerende zaken geldt een uitzondering en wordt de waardemutatie pas in de heffing betrokken bij een vervreemding van de onroerende zaak.
Op dit moment bestaat de politieke wens om op termijn toe te groeien naar een zuivere vermogenswinstbelasting voor alle vermogensbestanddelen, waarbij belasting pas verschuldigd is bij realisatie van een waardestijging, zoals ook voor onroerende zaken in de WWR het geval is. Er is nog geen instemming over een nieuw box 3 stelsel. Daarom zijn op Prinsjesdag 2026 vier scenario’s door het kabinet gepresenteerd.
Scenario 1: WWR met verbeteringen
De eerste optie is invoering van de WWR per 2028, aangevuld met diverse verzachtende maatregelen. Daarbij wordt gedacht aan onder meer een achterwaartse verliesverrekening (carry back), een lager box 3 tarief en verbeteringen van het wetsvoorstel bij huwelijken en echtscheidingen. In dit scenario is er dus nog geen sprake van een vermogenswinstbelasting en wordt vastgehouden aan de vermogensaanwasbelasting.
Scenario 2: WWR vanaf 2028, daarna vermogenswinstbelasting vanaf 2030
In dit scenario wordt eerst de WWR ingevoerd. Vervolgens wordt in 2030 overgestapt naar een volledige vermogenswinstbelasting. Het voordeel is dat vanaf 2028 al sprake is van belastingheffing op werkelijk rendement (op basis van de vermogensaanwasbelasting), terwijl op langere termijn tegemoet wordt gekomen aan bezwaren tegen een vermogensaanwasbelasting.
Scenario 3: Geen WWR, direct naar vermogenswinstbelasting
Een derde optie is het intrekken van de WWR en het huidige forfaitaire stelsel met tegenbewijsregeling nog enkele jaren voortzetten. In 2030 volgt dan direct een volledige vermogenswinstbelasting. Dit voorkomt opeenvolgende stelselwijzigingen, maar kent een fors prijskaartje. De cumulatieve budgettaire derving bedraagt volgens het kabinet bijna € 20 miljard tot en met 2035.
Scenario 4: Snellere overgang naar vermogenswinstbelasting
De laatste variant brengt al vanaf 2028 niet alleen vastgoed, maar ook overige financiële vermogensbestanddelen (aandelen, obligaties, opties etc.) onder een vermogenswinstbelasting. Daarmee valt circa 90% van het vermogen met waardeontwikkeling onder het vermogenswinstregime vanaf 2028. Het is nog de vraag of (onder andere) directe cryptobeleggingen in dit scenario ook direct onder de vermogenswinstbelasting zullen vallen. Het is in dit scenario de bedoeling dat in 2030 een volledige vermogenswinstbelasting geldt voor alle vermogensbestanddelen. Het kabinet wijst echter op belangrijke uitvoeringsrisico’s, waaronder beperkingen in de gegevensaanlevering door banken en een grotere administratieve last voor belastingplichtigen.
Wie betaalt de rekening?
Welke route ook wordt gekozen, alle scenario’s leiden tot aanzienlijke budgettaire derving. Daarom heeft het kabinet ook mogelijke dekkingsmaatregelen in kaart gebracht. Daarbij wordt gedacht aan onder meer het aanpakken van papieren schenkingen, een verdere beperking van excessief lenen bij de eigen BV (verlaging drempel en mogelijk het afschaffen van de uitzondering voor eigenwoningschulden), afschaffen of verkleinen van de eerste tariefschijf in de vennootschapsbelasting en het afschaffen of beperken van diverse fiscale regelingen zoals de zelfstandigenaftrek of de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek.
Wat betekent dit voor u?
Vooralsnog verandert er niets. Het kabinet benadrukt dat eerst politiek draagvlak moet worden gevonden voordat een definitieve keuze wordt gemaakt. Wel is duidelijk dat de discussie over box 3 nog lang niet is afgerond. Voor vermogende particulieren, DGA’s, familiebedrijven en ondernemers kunnen de uiteindelijke keuzes grote gevolgen hebben voor de fiscale behandeling van privévermogen, beleggingen en financieringsstructuren.
Wij volgen de ontwikkelingen nauwlettend en informeren u zodra meer duidelijkheid ontstaat over de toekomstige inrichting van box 3 en de mogelijke impact op uw situatie.
Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen? Neem dan contact op met uw Govers-contactpersoon, via ons contactformulier op de website, of bel ons algemene telefoonnummer 040 – 2 504 504.