Op 16 juni 2026 heeft de Eerste Kamer met ruime meerderheid ingestemd met het wetsvoorstel Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief. Met deze wet zet de overheid een belangrijke stap in de aanpak van schijnzelfstandigheid. De wet zal op een nader te bepalen tijdstip in werking treden.
Wat houdt het wetsvoorstel in?
Kern van de nieuwe wet is de invoering van een zogenoemd rechtsvermoeden van werknemerschap op basis van het uurtarief. Verdient een zzp’er of andere opdrachtnemer minder dan € 38,- per uur exclusief btw (peildatum: 1 januari 2026), dan kan deze zich beroepen op dit rechtsvermoeden.
Dit betekent concreet:
- De werkende kan hiermee stellen dat er feitelijk sprake is van een arbeidsovereenkomst
- De bewijslast verschuift vervolgens naar de opdrachtgever
- De opdrachtgever moet dan aantonen dat géén sprake is van een arbeidsovereenkomst
Lukt het de opdrachtgever niet om aan te tonen dat er géén sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan wordt de arbeidsrelatie juridisch aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. De werkende heeft in dat geval recht op werknemersbescherming, zoals:
- loondoorbetaling bij ziekte
- ontslagbescherming
- deelname aan een eventuele (verplichte) pensioenregeling
- toepasselijkheid van een eventuele CAO
- overige arbeidsrechtelijke zekerheden
Het uurtarief van € 38,- per uur (peildatum: 1 januari 2026) is gekoppeld aan de ontwikkeling van het minimumloon. Een verhoging van het minimumloon werkt daardoor rechtstreeks door in de hoogte van het uurtarief waaronder een beroep op het rechtsvermoeden kan worden gedaan door de opdrachtnemer.
Overigens staat het rechtsvermoeden naast de reguliere civielrechtelijke toets of sprake is van een arbeidsovereenkomst. Dit betekent concreet dat er ook sprake moet zijn van arbeid, loon en gezag. In het Deliveroo-arrest (Hoge Raad 24 maart 2023) zijn gezichtspunten geformuleerd die bij de beoordeling kunnen worden meegenomen, zoals de mate van gezag, de inbedding van het werk in de organisatie, de verplichting tot persoonlijke arbeid en de vrijheid om het werk naar eigen inzicht te verrichten. In het Uber-arrest (Hoge Raad 21 februari 2025) is daarnaast benadrukt dat ook ondernemerschapselementen – zoals het lopen van commercieel risico en het hebben van meerdere opdrachtgevers – een rol spelen bij de kwalificatie. Deze jurisprudentie blijft onverkort van toepassing. Dat betekent dat ook zónder beroep op het rechtsvermoeden, of juist bij tarieven bóven € 38,- per uur, nog steeds kan worden geoordeeld dat sprake is van een arbeidsovereenkomst (of juist niet), afhankelijk van alle feiten en omstandigheden van het geval.
Het rechtsvermoeden vormt daarmee een aanvullend instrument dat met name de bewijspositie van lager betaalde zzp’ers en andere opdrachtnemers versterkt, maar laat de bestaande toetsingskaders uit de wet en rechtspraak intact.
Achtergrond: van Vbar naar afzonderlijk voorstel
Het rechtsvermoeden was oorspronkelijk onderdeel van de Wet verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties (Vbar). Eerder in 2026 besloot het kabinet echter om het deel dat verduidelijking moest bieden over de kwalificatie van arbeidsrelaties voorlopig te schrappen.
Hiermee ontstond ruimte voor een afzonderlijk wetsvoorstel: de nu aangenomen regeling rondom het rechtsvermoeden op basis van uurtarief. Parallel werkt het kabinet aan de ontwikkeling van de zogenoemde Zelfstandigenwet.
Inwerkingtreding en impact
De wet moet uiterlijk op 31 december 2026 in werking treden. Een belangrijke reden voor deze deadline is de koppeling met het Europese Herstel- en Veerkrachtplan, waarmee Nederland aanspraak kan maken op aanzienlijke financiële middelen.
Opvallend is dat er géén overgangsrecht geldt. Dat betekent dat de regeling direct van toepassing is op zowel nieuwe als bestaande opdrachten.
Deze brede werking onderstreept het doel van de wet: zowel het corrigeren van bestaande schijnzelfstandigheid als het voorkomen van nieuwe gevallen.
Fiscale aandachtspunten
Hoewel het rechtsvermoeden een civielrechtelijk instrument is, heeft het naar verwachting ook belangrijke fiscale implicaties. De Belastingdienst kan zich niet zelfstandig beroepen op het rechtsvermoeden, maar beoordeelt arbeidsrelaties aan de hand van vergelijkbare criteria en sluit daarbij aan bij de lijn uit de rechtspraak, waaronder het Deliveroo-arrest. In de praktijk zal een uurtarief onder € 38,- daarom een duidelijke risicosignalering kunnen vormen bij fiscale controles.
Indien een arbeidsrelatie civielrechtelijk als arbeidsovereenkomst wordt aangemerkt, zal de Belastingdienst dit doorgaans volgen, met mogelijke naheffingen van loonheffingen en premies tot gevolg. Voor opdrachtgevers betekent dit dat het rechtsvermoeden niet alleen arbeidsrechtelijke, maar ook fiscale risico’s vergroot, met name bij lagere uurtarieven.
Wat betekent dit voor uw organisatie?
Voor opdrachtgevers brengt deze ontwikkeling duidelijke aandachtspunten met zich mee:
- Contracten en uurtarieven heroverwegen: Met name bij tarieven onder € 38,- (exclusief btw) ontstaat een verhoogd risico, aangezien een direct beroep op het rechtsvermoeden dan openstaat.
- Arbeidsrelaties kritisch beoordelen: Niet alleen de prijs, maar ook andere aspecten, zoals de feitelijke uitvoering van het werk blijft van belang. De gezichtspunten uit de wet en rechtspraak (arbeid, loon, gezag) blijven onverkort gelden.
- Bewijslast goed documenteren: Bij discussie moet de opdrachtgever kunnen aantonen dat geen sprake is van een dienstverband.
Voor zzp’ers en andere opdrachtnemers betekent de wet een sterkere juridische positie, met name aan de onderkant van de markt.
Tot slot
Met deze wetgeving zet de overheid een duidelijke stap richting meer bescherming voor werkenden en een scherpere afbakening tussen zelfstandig ondernemerschap en loondienst. Voor veel organisaties is dit hét moment om arbeidsrelaties en inhuurbeleid opnieuw kritisch te beoordelen.
Heeft u vragen over de impact van deze wet op uw organisatie? Wij denken graag met u mee. Neem hiervoor gerust contact op met uw relatiebeheerder of via ons algemene telefoonnummer 040 – 2 504 504.