Interne herstructureringen en een verkoopvoornemen gaan in de praktijk vaak hand in hand. Onder de huidige wetgeving geldt een wettelijk bewijsvermoeden dat een fusie of splitsing niet op zakelijke overwegingen is gebaseerd wanneer binnen drie jaar nadien een verkoop aan een onafhankelijke derde plaatsvindt. Met het Belastingplan 2027 komt daar een einde aan. Het kabinet stelt voor dit onzakelijkheidsvermoeden te schrappen, waardoor de bewijslast in bepaalde situaties verschuift naar de Belastingdienst. Een wijziging die met name relevant kan zijn voor ondernemers die hun ondernemingsstructuur willen optimaliseren met het oog op een toekomstige overdracht of verkoop.
Achtergrond en noodzaak van de wijziging
De bedrijfsfusie- en splitsingsfaciliteiten maken het mogelijk om ondernemingen te herstructureren zonder dat direct vennootschapsbelasting verschuldigd is over eventuele stille reserves en goodwill. Een belangrijke voorwaarde is dat de reorganisatie niet in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Indien zakelijke overwegingen voor een bedrijfsfusie of splitsing ontbreken, wordt de herstructurering, behoudens tegenbewijs, geacht te zijn gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.
Binnen deze zakelijkheidstoets geldt vervolgens een wettelijk bewijsvermoeden. Op grond van dit bewijsvermoeden worden zakelijke overwegingen geacht niet aanwezig te zijn indien aandelen in een betrokken lichaam binnen drie jaar na de reorganisatie worden verkocht.
De Hoge Raad heeft eerder geoordeeld dat dit bewijsvermoeden binnen de splitsingsfaciliteit niet in overeenstemming is met het Europese recht.
Voorgestelde aanpassing en fiscale gevolgen
Om de wetgeving in lijn te brengen met het oordeel van de Hoge Raad, stelt het kabinet voor het bewijsvermoeden in zowel de splitsingsfaciliteit als de bedrijfsfusiefaciliteit te schrappen.
Hierdoor leidt een verkoop van aandelen binnen drie jaar na de reorganisatie niet langer automatisch tot de veronderstelling dat zakelijke overwegingen ontbreken. Indien de Belastingdienst van mening is dat de reorganisatie in overwegende mate is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing, zal zij hiervoor zelf voldoende bewijs moeten aandragen.
Dat betekent overigens niet dat iedere reorganisatie voorafgaand aan een verkoop automatisch onder de faciliteiten kan plaatsvinden. Ook onder de voorgestelde regels kan de Belastingdienst de faciliteit nog steeds weigeren wanneer zij van mening is dat de reorganisatie voornamelijk is gericht op het behalen van een fiscaal voordeel.
Als gevolg van het vervallen van het bewijsvermoeden vervalt ook de mogelijkheid om vooraf een beschikking te verkrijgen over een voorgenomen vervreemding binnen drie jaar na de reorganisatie. Voor belastingplichtigen die vooraf duidelijkheid wensen over de fiscale gevolgen van een voorgenomen verkoop, kan dit een aandachtspunt vormen.
Relevantie voor uw onderneming
Deze maatregel kan met name relevant zijn voor ondernemingen en aandeelhouders die voorafgaand aan een voorgenomen verkoop een herstructurering overwegen. Te denken valt aan situaties waarin activiteiten worden afgesplitst, vastgoed wordt afgescheiden van operationele activiteiten of een groepsstructuur wordt vereenvoudigd met het oog op een toekomstige aandelenoverdracht.
Heeft u plannen om uw ondernemingsstructuur te herzien of overweegt u een toekomstige bedrijfs- of aandelenoverdracht? Dan kan het verstandig zijn om tijdig de fiscale gevolgen in kaart te brengen.
Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen? Neem dan contact op met uw Govers-contactpersoon, via ons contactformulier op de website, of bel ons algemene telefoonnummer 040 – 2 504 504.