Gisteren presenteerde het kabinet tijdens Prinsjesdag het Belastingplan 2027. Tussen de verschillende fiscale maatregelen bevindt zich ook een voorstel dat relevant kan zijn voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen. Het kabinet kondigt namelijk een verduidelijking aan van het begrip ‘publieke middelen’ voor de toepassing van de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling in de vennootschapsbelasting.
Achtergrond en noodzaak van de verduidelijking
De vennootschapsbelasting kent onder voorwaarden een vrijstelling voor lichamen die zich bezighouden met onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. Een belangrijke voorwaarde daarbij is dat de onderwijs- en onderzoekgerelateerde activiteiten voor 70% of meer worden bekostigd uit publieke middelen.
Volgens het kabinet is deze vrijstelling oorspronkelijk bedoeld voor publiek gefinancierde onderwijs- en onderzoeksactiviteiten. In de praktijk bleek echter discussie mogelijk over de vraag wanneer sprake is van bekostiging uit publieke middelen. Aanleiding voor de voorgestelde verduidelijking vormt onder meer een lopende gerechtelijke procedure. Met de voorgestelde maatregel wil het kabinet naar eigen zeggen verduidelijken wat reeds volgt uit doel en strekking van de bestaande regeling.
Voorgestelde aanpassing en fiscale gevolgen
In het Belastingplan 2027 wordt expliciet vastgelegd dat geen sprake is van bekostiging uit publieke middelen indien voor het verschaffen van die middelen een contractuele tegenprestatie wordt verlangd. Anders gezegd: indien onderwijs- of onderzoeksactiviteiten worden uitgevoerd in opdracht van een derde en daar een vergoeding tegenover staat, kwalificeren deze inkomsten volgens het kabinet niet als publieke bekostiging.
Hiermee wordt een duidelijker onderscheid aangebracht tussen publiek gefinancierde activiteiten enerzijds en contractonderwijs of contractonderzoek anderzijds. Het kabinet benadrukt daarbij dat geen inhoudelijke wijziging wordt beoogd, maar een verduidelijking van de reeds bestaande uitvoeringspraktijk.
Voor onderwijs- en onderzoeksinstellingen betekent dit dat de aard van ontvangen financiering van belang blijft bij de beoordeling van de toepasselijkheid van de onderwijs- en onderzoeksvrijstelling. Met name bij activiteiten die worden verricht op basis van opdrachten, samenwerkingscontracten of specifieke onderzoekscontracten kan het van belang zijn om na te gaan of deze inkomsten daadwerkelijk kwalificeren als bekostiging uit publieke middelen.
Relevantie voor uw instelling
Alhoewel het kabinet de maatregel presenteert als een verduidelijking, vormt deze aanleiding om de fiscale positie van onderwijs- en onderzoeksinstellingen kritisch tegen het licht te houden. Instellingen die naast regulier onderwijs of onderzoek ook contractonderwijs, contractonderzoek of andere opdrachtactiviteiten verrichten, doen er goed aan te beoordelen welke inkomstenstromen onder de vrijstelling vallen en welke mogelijk niet.
Een tijdige analyse van de financieringsstructuur en de onderliggende contracten kan bijdragen aan meer zekerheid over de toepassing van de vrijstelling en mogelijke fiscale risico’s beperken.
Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen? Neem dan contact op met uw Govers-contactpersoon, via ons contactformulier op de website, of bel ons algemene telefoonnummer 040 – 2 504 504.