| De Europese Commissie heeft op 24 juni 2026 het zogeheten Taxation Omnibus‑pakket gepresenteerd. Dit voorstel heeft als doel het belastingstelsel aanzienlijk te vereenvoudigen, administratieve lasten te verlagen en investeringen binnen de EU te stimuleren. Hieronder treft u de belangrijkste onderdelen van dit pakket. |
De kern van het voorstel is dat binnen de EU het belastingstelsel eenvoudiger en efficiënter wordt terwijl de investeringen, groei en concurrentievermogen binnen de interne markt worden bevorderd. Onderdelen hiervan zijn de sterke reductie van administratieve lasten waarbij bedrijven naar verwachting profiteren van een kostenbesparing van in totaal circa € 6,6 miljard per jaar.
Vrijstelling bronbelastingen
Momenteel worden dividend-, rente- en royaltybetaling in het bronland vaak belast met bronbelasting, waarna buitenlandse aandeelhouders – afhankelijk van verdragstoepassing – een administratief belastende en tijdrovende (gedeeltelijke) vrijstelling of teruggaaf moeten claimen. Een belangrijke wijziging vanuit dit Omnibus-pakket betreft de afschaffing van bronbelastingen op dividend-, rente- en royaltybetalingen tussen bedrijven binnen de EU. Dit verlaagt de fiscale drempels voor grensoverschrijdende investeringen en maakt het eenvoudiger om kapitaal binnen concernstructuren te laten circuleren, zonder complexe teruggaaf- en vrijstellingsprocedures.
Vereenvoudiging en versoepeling renteaftrekbeperking
Daarnaast wordt de generieke renteaftrekbeperking vereenvoudigd en geharmoniseerd. Deze beperking houdt in dat de aftrek van het saldo aan renten wordt gemaximeerd tot een vaste drempel dan wel (indien hoger) een percentage van de fiscale EBITDA waarboven de beperking pas toepassing vindt. Waar lidstaten nu nog strengere nationale beperkingen mogen hanteren, wordt voorgesteld om één uniforme norm verplicht te stellen: maximaal 30% van de fiscale EBITDA en een drempel van € 3 miljoen (met latere indexatie). Daarbij geldt dat onder bepaalde voorwaarden rente op leningen van derde partijen – in tegenstelling tot de huidige implementatie van Nederland – buiten de beperking moet blijven. Ook wordt voorgesteld dat de zogenoemde group escape verplicht wordt ingevoerd, waardoor belastingplichtigen een hogere renteaftrek kunnen realiseren indien zij aantonen dat hun leverage in lijn is met die van de groep als geheel – een belangrijke tegemoetkoming voor kapitaalintensieve sectoren. Tevens is van belang dat een regeling voor procyclische effecten wordt ingevoerd. Kortgezegd houdt dit in dat de aftrekbeperking niet altijd geldt wanneer de fiscale EBITDA met 50% of meer daalt in relatie tot het voorgaande jaar. Al met al betekent dit dat landen zoals Nederland – waar momenteel een strengere grens van 24,5% en een drempel van € 1 miljoen geldt, leningen van derde partijen wel onder de beperking vallen en geen group escape regeling bestaat – hun regels moeten versoepelen. Dit leidt tot meer voorspelbaarheid en in veel gevallen tot ruimere aftrekmogelijkheden.
Aftrek R&D-uitgaven
Een van de voorgestelde maatregelen is dat binnen de EU-investeringen in R&D voor fiscale doeleinden direct en volledig ten laste van de winst kunnen worden gebracht, waardoor een fiscaal voordeel wordt gerealiseerd. Op dit moment kent Nederland al een regeling waarbij voortbrengingskosten van immateriële vaste activa ineens kunnen worden afgeschreven. Daarnaast ondersteunt Nederland ondersteunt R&D op fiscaal vlak momenteel via regelingen als de WBSO en de innovatiebox.
Impact voor beleggers
Voor Nederlandse beleggers ligt de impact vooral in de samenloop met de voorgenomen box 3‑hervorming. Het huidige voorstel zou het in de toekomst fiscaal aantrekkelijker maken om beleggingen binnen een BV aan te houden, omdat dan gebruik kan worden gemaakt van de aangekondigde Europese vrijstellingen op dividendstromen. De Nederlandse deelnemingsvrijstelling geldt momenteel pas vanaf een belang van 5%, maar onder het voorstel zou deze in beginsel ook moeten gelden voor dividenden ontvangen uit kleinere aandelenbelangen. Dit kan ertoe leiden dat het aantrekkelijker wordt om aandelenbeleggingen in de BV aan te houden in plaats van in privé.
Tot slot
De voorstellen moeten nog door alle lidstaten worden goedgekeurd en zullen naar verwachting pas ten vroegste vanaf 2029 (enkele wijzigingen pas vanaf 2032 of zelfs 2037) in werking treden. De richting is echter duidelijk: minder complexiteit, lagere lasten en meer ruimte voor investeren. Wij blijven deze ontwikkelingen volgen. Zodra er meer zekerheid is, komen wij bij u terug met de concrete duiding.